KIKKERLAND
Tekst voor catalogus tentoonstelling 'Schipper mag ik overvaren?', Obdam.
Rudy J. Luijters, La Dalle, maart 1997
Begin maart deed ik een poging kikkerdril te tekenen. Doel was niet het maken van een tekening maar het vastleggen van de ontwikkeling en metamorfose van een kikker.

Het volgen van dit proces had ik al eerder gedaan. Ik schat dat ik een jaar of zeven was. De randen van de stad boden schoffies van die leeftijd veel ruimte om de wereld te leren kennen. Sloten, vaarten, braakliggende terreinen: de zachte overgang naar de polder die overal nabij was. Welk Hollands jochie zou níet, gewapend met netje (bamboestok, ijzerdraad, nylon-kous) en jampot, langs de waterkant hebben gestruind, op zoek naar watervlooien, stekelbaarsjes en salamanders.

(Van meisjes weet ik het niet zo zeker, ik spreek nu over ruim dertig jaar terug. Die uit mijn buurt droegen toen jurken en sprongen touwtje.) Vroeg in het voorjaar vonden we ook kikkerdril. Eerste embryologische waarnemingen in de jampot en wonderbaarlijk genoeg kwamen er kikkertjes van, die, allang vergeten, op een zomeravond na een regenbui plots op de stoep van ons stadstuintje volwassen rondsprongen. De latere biologielessen op basis van instructieve platen leken dode reprises van een vanzelfsprekende en levende werkelijkheid.
Terug naar de tekening. Dat valt niet mee, kikkerdril. Zelfs het eerste stadium niet, het bewegingsloze bolletje.

De kern van de eicel gaat nog, zwarte stip, maar het transparante, gelatine-achtige omhulsel is niet te tekenen. Het glijdt van je kwast zoals door je vingers. Al doende kreeg ik bezoek van Yan. Grote ogen.
- Wat is dát nu?
- Gewoon kikkerdril.
- Kikkerdril?
- Kikkerdril.
- Kikkerdril?? Wat is dat, kikkerdril?
- ?!?!?

pag. 1 | pag. 2