DOORNROOSJE 
Sprookje bij project energielandschap
Rudy J. Luijters, 2000
Heel lang geleden waren er eens een koning en een koningin die hevig verlangden naar een kind maar het niet konden krijgen. Op een dag, de koningin nam een bad in de vijver, sprong er en kikker op haar toe die voorspelde dat ze spoedig een dochter zou baren. En tot ieders vreugde werd er binnen het jaar een zó prachtige dochter geboren dat de koning besloot tot een groot feest. Tot de genodigden behoorden natuurlijk familie, vrienden en kennissen, maar ook de wijze vrouwen in het rijk van de koning , dertien in getal. Omdat de koning maar twaalf gouden borden had, moest er één wijze vrouw thuisblijven. Het feest werd in volle luister gevierd en aan het eind ervan schonken de wijze vrouwen hun wonder-gaven: deugdzaamheid, schoonheid, rijkdom en zo door tot plotsklaps de dertiende wijze vrouw boos binnenstapte. Omdat ze niet was uitgenodigd was ze razend en sprak een vloek uit: ‘De koningsdochter zal zich op haar vijftiende jaar prikken aan een spintol en dood neervallen!’

En daarop verliet ze de zaal en niemand zag haar weer.
De schrik onder de feestgangers was groot. Gelukkig had de twaalfde wijze vrouw haar wens nog niet uitgesproken. Ze kon de vloek echter niet ongedaan maken, wel verzachten en zo sprak zij: ‘De koningsdochter zal niet sterven maar honderd jaar slapen.’
Direct na deze gebeurtenis liet de koning alle spintollen in zijn hele koninkrijk verbranden, in de hoop dat zijn dochter zich nooit zou kunnen prikken. Jaren verstreken en al de wondere wensen van de wijze vrouwen kwamen uit.
Doornroosje, want zo heette de dochter, werd mooier dan de schoonste uit het land, en ze was lief en zorgzaam en verstandig, zodat een ieder haar beminde. En het scheen dat de boze wens was vergeten. Op een kwade dag echter, in de ochtend van haar vijftiende verjaardag, was Doornroosje alleen in het kasteel; de koningin plukte rozen uit de overdadige hagen rond de tuin en de koning inspecteerde de wacht.

Het meisje dwaalde door de vele onbekende kamers en stond in de toren plotseling oog in oog met een oud vrouwtje aan een spinnewiel. ‘Goedemorgen, oudje, mag ik vragen wat je daar aan het doen bent?’ vroeg de prinses. ‘Ik spin,’ zei het oudje ‘maar kom gerust dichtbij, dan kun je zien hoe dat gaat.’ Het meisje kwam naderbij en streek langs het spinnewiel en de draaiende spintol. ‘Au’, daar was ze geprikt en ze viel terstond neer op het bed dat in de kamer stond, om in een diepe diepe slaap te vallen. En deze slaap breidde zich uit over het hele kasteel: de koning en de koningin die inmiddels waren teruggekeerd, de duiven op de torens, de hele hofhouding tot en met de tuinlieden die de rozenhaag snoeiden, iedereen viel in slaap, de wind ging liggen en rond het slot was alles stil, doodstil.

pag. 1 | pag. 2